Meervoudige intelligentie

De Amerikaanse hoogleraar Howard Gardner ontwikkelde in de jaren tachtig zijn theorie over meervoudige intelligentie. In de ogen van Gardner is intelligentie het cognitief processen en recombineren van informatie en hebben mensen hierin verschillende manieren ontwikkeld die relatief onafhankelijk van elkaar zijn.

Simpel gezegd zijn er volgens hem meerdere manieren om intelligent te zijn: de ene mens is verbaal heel sterk en leert gemakkelijk door gebruik te maken van taal. De andere ziet snel verbanden of logische gevolgen, een derde blinkt uit in ruimtelijk inzicht of maakt op een natuurlijke manier gebruik van klanken en ritmes.

Gardner onderscheidt in zijn basiswerk zeven vormen van intelligentie. Later, in 1995, heeft hij een achtste, de natuurgerichte intelligentie, toegevoegd.

De zeven basisvormen die hij onderscheidt zijn:

1. Verbale-linguïstische intelligentie: de omgang met het talige, zoals lezen, schrijven en taal begrijpen.
2. Logisch-mathematische intelligentie: analytisch, rationeel en mathematisch denken en redeneren.
3. Visueel-ruimtelijke intelligentie: visueel en beeldend de ruimte kunnen pakken en verbeelden.
4. Muzikale-ritmische intelligentie: ritme, melodie, klanken, muziek oorvoelen, componeren, dirigeren.
5. Lichamelijk-kinesthetische intelligentie: voelen, dansen, lichamelijkheid, sport, coördinatie van het lijf.
6. Interpersoonlijke intelligentie: samenwerken, anderen bespelen, organiseren, leiden, sturen.
7. Intrapersoonlijke intelligentie: zelfbegrip, zelfkennis, filosofie, zingeving.

De eerste drie vormen van intelligentie worden als zodanig breed erkend, de overige in mindere mate. Nummer acht, de natuurgerichte intelligentie, nauwelijks.

De ene intelligentie is niet beter dan de andere en elke intelligentie heeft zo zijn voordelen en beperkingen.

Zo scoort de interpersoonlijk intelligente persoon hoog op bijvoorbeeld teamwerk maar of zoiemand - denk aan een politicus - makkelijk trouw kan blijven aan zichzelf wanneer hij zich in een ander context, een andere groep, bevindt kun je betwijfelen.

Elk mens heeft in beginsel de beschikking over alle negen intelligenties maar onder invloed van milieu en opvoeding ontstaan bij iedereen in de loop van de tijd zowel preferente als onderontwikkelde vormen van intelligentie.

In onze samenleving, in het bijzonder op de scholen, worden de eerste twee vormen van intelligentie, de linguïstische- en de mathematisch logische intelligentie, het meest gewaardeerd en gestimuleerd.

De theorie bouwt voort op en is kritisch naar de standaard intelligentietheorie die uitgaat van een sterke correlatie tussen de verschillende vaardigheden op het vlak van de intelligentie.

De vormen in detail

1. Verbaal-linguïstische intelligentie

Bij verbaal-linguistische intelligentie gaat het om de capaciteit om taal te gebruiken om je uit te drukken en om anderen te begrijpen en te overtuigen. Mensen die taalkundig intelligent zijn, denken in woorden en zijn daarom ook in staat iets te begrijpen dat alleen in woorden wordt uitgedrukt. Ze kunnen abstracties begrijpen en verwoorden.

De verbaal-linguïstische intelligente mens:
- leest graag, snel en met inzicht,
- heeft een grote woordenschat,
- denkt in woorden,
- formuleert makkelijk,
- kan ideeën onder woorden brengen,
- kan goed argumenteren,
- pikt nieuwe begrippen snel op.

2. Logisch-mathematische intelligentie

Logisch-mathematische intelligentie is het vermogen om logische verbanden en onderliggende principes te begrijpen en om makkelijk met (abstracte) getallen en hoeveelheden te werken. Mensen die op dit vlak goed zijn ontwikkeld, denken beredenerend en zijn vaak kritisch.

De logisch-mathematisch intelligente mens:
- analyseert,
- ordent en structureert,
- is sterk in oorzaak-gevolg verbanden,
- speelt graag met cijfers,
- overweegt bij het oplossen van problemen,
- redeneert logisch,
- denkt kritisch.

3. Visueel-ruimtelijk intelligentie

Visueel-ruimtelijke intelligentie is het vermogen om situaties en problemen voor je te zien en er op die manier mee te werken. Mensen met een goed ontwikkelde visueel-ruimtelijk intelligentie denken - en formuleren - in beelden.

De visueel-ruimtelijk intelligente mens:
- denkt in beelden,
- houdt van kleur en vorm,
- neemt de werkelijkheid waar via ruimte, kleuren en vormen,
- heeft gevoel voor kleurnuances,
- tekent vaak figuurtjes of maakt krabbels,
- experimenteert met schetsen of ontwerpen,
- kan zich snel oriënteren,
- heeft een sterk gevoel voor ruimtelijke verhoudingen.

4. Muzikaal-ritmische intelligentie

Muzikaal-ritmische intelligentie is het vermogen om muzikale en ritmische patronen te herkennen, te onthouden en te creëren. Mensen die dit intelligentiegebied gebruiken, denken in ritmes en melodieën. Zij geven betekenis aan wat ze horen aan de hand van de intonatie en modulatie van wat gezegd wordt, niet zozeer de inhoud. Zij bewegen ook graag ritmisch of laten graag ritmische geluiden horen.

De muzikaal-ritmisch intelligente mens:
- luistert graag naar muziek,
- pikt snel melodielijnen op,
- bespeelt graag een muziekinstrument,
- houdt van rijmen,
- kan werken met ritmes en melodieën,
- neuriet en houdt van zingen,
- heeft een sterk gevoel voor ritme,
- kan melodieus praten en vertellen.

5. Lichamelijk-kinesthetische intelligentie

Lichamelijk-kinesthetische intelligentie is het vermogen om (delen van) het lichaam te gebruiken om iets uit te drukken, iets te maken of een probleem op te lossen of een doel te bereiken. Mensen die deze intelligentie goed hebben ontwikkeld leren door te doen. Sommigen gebruiken daarbij het liefste hun hele lichaam, anderen voornamelijk hun handen.

De lichamelijk-kinesthetisch intelligente mens:
- is graag in beweging,
- sport meestal graag,
- reageert meestal met trefzekere bewegingen,
- voelt goed aan hoe het eigen lichaam te gebruiken,
- maakt gebaren bij het spreken,
- heeft een fijne motoriek,
- sleutelt of knutselt graag,
- leert gemakkelijk door te doen of te spelen,
- heeft een sprekende mimiek.

6. Interpersoonlijke intelligentie

Interpersoonlijke intelligentie is het vermogen om anderen aan te voelen, te begrijpen, te begeleiden, te leiden en te manipuleren. Mensen die interpersoonlijk intelligent zijn, denken na door met anderen te praten over hun gedachten. Wanneer ze dat niet doen, denken ze minder diep.

De interpersoonlijk intelligente mens:
- houdt van contact met anderen,
- houdt van uitwisselen,
- werkt graag samen,
- voelt scherp aan wat anderen bezig houdt,
- voelt zich prettig in groepen,
- houdt van gezelligheid en feestjes,
- geeft makkelijk en graag,
- is graag bereid anderen te helpen.

7. Intrapersoonlijke intelligentie

Intrapersoonlijke intelligentie is het vermogen om te reflecteren en op basis daarvan beslissingen te nemen. Mensen met een sterk ontwikkelde intrapersoonlijke intelligentie hebben zelfkennis. Ze weten wat ze willen, wat ze wel of niet kunnen en hoe ze zichzelf kunnen veranderen. Ze denken stil, in zichzelf, en zijn gevoelig voor storingen en prikkels van buitenaf.

De intrapersoonlijk intelligente mens:
- kent eigen sterke en zwakke kanten goed,
- houdt zich graag op de achtergrond,
- leeft in een eigen wereld,
- houdt van dagdromen,
- neemt scherp waar wat er gebeurt,
- denkt goed na over wat te zeggen,
- is een denker pur sang,
- kan poëtisch en romantisch zijn,
- houdt van stilte.

Multiple intelligentie en hoogbegaafdheid

In de traditionele theorieën over intelligentie werd er vanuit gegaan dat er een grote gemeenschappelijke denominator is in de verschillende verschijningsvormen van intelligentie, namelijk, het abstraherend analytisch en logisch deducerend vermogen, uit te drukken in een intelligentiequotiënt. Zoals gezegd betwist Gardner dat.

Modellen over hoogbegaafdheid, zoals die van Mönks en Heller, sluiten aan bij de traditionele definitie van intelligentie. Mönks hanteert het triadisch model van Renzulli als basis. Binnen dat model dient een hoogbegaafde te beschikken over de volgende persoonlijkheidskenmerken:

- Hoge intellectuele vermogens;
- Taakgerichtheid en volharding (motivatie);
- Creatief vermogen.

Daarnaast onderscheidt Mönks een drietal omgevingsfactoren - gezin, school en vrienden - die invloed hebben op hoe hoogbegaafdheid tot uiting komt. Deze omgevingsfactoren zijn ook medebepalend voor het uiteindelijke niveau van (hoog-) begaafdheid en het domein waarbinnen die vorm krijgt.

Het model van Gardner en dat van Mönks spreken elkaar tegen.

Sprekend vanuit de praktijk kan ik enkel opmerken dat de meeste hoogbegaafden waarmee ik werk:

(a) op meerdere vormen van intelligentie volgens Gardner heel hoog scoren, en
(b) op andere vormen van intelligentie of bovengemiddeld of juist laag scoren (er lijkt sprake te zijn van een deficiëntie).

In die zin verenigen hoogbegaafden in de praktijk de beide theorieën, die van Gardner en de traditionele intelligentietheorie, in zich.

Literatuurverwijzing:

- Howard Gardner (1993) Frames of Mind. The Theory of Multiple Intelligences. Fontana Press, London.
- Howard Gardner (1993): Multiple Intelligences. The Theory in Practice. Basic Books, New York.
- Frans Mönks en Irene Ypenburg (2011): Hoogbegaafdheid bij kinderen, Boom uitgeverij.

Overleven

It is not the strongest of the species that survives nor the most intelligent. It is the one that is the most adaptable to change. Charles Darwin