Aanverwante zaken

Hoogbegaafdheid wordt regelmatig in een adem genoemd met ADHD en ADD, Asperger, autisme en dyslexie.

Wat ze alle minimaal gemeen hebben, is dat het hier afwijkingen in de bedrading van en doorvoer van signalen in de hersenen betreft. Er zijn dan ook raakvlakken en overlappingen.

Stel je hersenen voor als een stelsel van delen, met elkaar verbonden middels een complexe bedrading. Het maakt dan nogal wat uit of (a) er veel of weinig draadjes lopen, en of (b) die bedrading veel of weinig pulsen kan transporteren, en of (c) je rijk bedeeld bent met hersenen.

Dat alles samen genomen beïnvloedt uiteraard je vermogen om met interne en externe prikkels om te gaan, én de wijze waarop je die prikkels procest en interpreteert. Op dat niveau vind je dus overeenkomsten tussen hoogbegaafdheid, add, adhd, autisme en dyslexie.

ADD

Attention Deficit Disorder. Eind jaren 80 werd de diagnose ADD geformuleerd binnen de DSMIV. Mensen die ADD hebben, zijn bovenmatig impulsief, gevoelig, visueel, verstrooid, sensorieel (gevoelig voor prikkels) en actief. En dat allemaal tegelijk (de omschrijving is gebaseerd op: Jeffrey Freed, Ik denk in beelden, jij onderwijst in woorden, Garant 2010).

Mensen met ADD denken veelal op een gelijksoortige manier als hoogbegaafden, namelijk, in beelden, en gebruiken daarvoor ook dezelfde hersengebieden. Ze zijn ook altijd bezig in hun hoofd en praten snel om dat wat ze bedenken zo precies en gedetailleerd mogelijk te verwoorden.

De moderne leef-, leer- en werkomgevingen zijn voor ADD-ers vaak te sterk prikkelend. En daarom vinden die het meestal lastig in dit soort omgevingen op een stabiele wijze te functioneren - hoewel ze dit zelf, in tegenstelling tot hun omgeving, niet zo hoeven te ervaren. Mensen met ADD raken snel afgeleid en kunnen zich maar moeilijk concentreren.

De overeenkomsten tussen hoogbegaafdheid en ADD zijn talloos. De reden daarvoor is dat bij beide, in vergelijking met niet-hoogbegaafdheid en niet-ADD, op bovenmatige wijze de neocortex, en in mindere mate het oudere deel van de hersen wordt gebruikt.

ADD is net als hoogbegaafdheid aangeboren. En net als bij hoogbegaafdheid brengt het degene die het heeft problemen omdat vrijwel alle regels, structuren en processen in onderwijs en werk ingericht zijn op de doorsnee mens, die wat extraverter van aard is en makkelijker kan omgaan met de talloze prikkels die op hem afkomen. Kinderen met ADD ervaren daarnaast, net als hoogbegaafde kinderen, geregeld afkeuring en uitstoting, zoals bijvoorbeeld pestgedrag op school.

Het verschil tussen ADD en hoogbegaafdheid is een accentverschil. Bij de degene met ADD ligt, voorzichtig gesteld (mijn interpretatie), de nadruk meer op het hyperachtige karakter van het denken en het gedrag terwijl bij hoogbegaafden de nadruk juist meer ligt op pure denkkracht.

De combinatie ADD en hoogbegaafdheid komt, niet verwonderlijk, vaak voor. Regelmatig ook worden verkeerde diagnoses gesteld in die zin dat hoogbegaafden die wat drukker dan gemiddeld zijn en bovenmatig last hebben van teveel prikkeling in hun omgeving, het label ADD krijgen opgeplakt. Omgekeerd, dat personen met enkel ADD foutief voor hoogbegaafd worden aangezien, komt minder vaak voor.

Daarnaast is er ook op dit gebied een overdiagnosticering in de zin dat tegenwoordig de diagnose ADD nogal makkelijk wordt gesteld. In het verlengde daarvan geldt, vervelend genoeg, dat medicijnen die hierbij worden gebruikt, zoals Ritalin, in ruime mate en zonder veel kritische reflectie, voor jaren op een rij worden voorgeschreven door zowel huisartsen als psychiaters.

Overigens, naarmate mensen met ADD ouder worden, zijn de problemen die ze ervaren door veranderingen in de hormoonhuishouding steeds makkelijker hanteerbaar. Iedereen, ook degene met ADD, wordt naarmate hij ouder wordt rustiger in gedrag.

ADHD

Wat ik hiervoor schreef over ADD, geldt in feite ook voor ADHD, Attention Deficit Hyperactivity Disorder. Er zijn echter wel enige verschillen.

Het grote verschil is dat ADHD veel meer een stoornis in klassieke zin is dan ADD. Alles wat degene met ADHD ervaart is heftiger en complexer dan dat wat degene met ADD ervaart.

Wat helpt bij ADD - structuur, rust, en afwezigheid van overprikkeling - helpt in mindere mate bij ADHD. Daarbij geldt ook dat ADHD nogal eens in combinatie met een andere stoornis voorkomt, zoals bijvoorbeeld autisme, wat het helemaal lastig maakt voor degene die er last van heeft om grip op zijn problemen te krijgen.

De incidentie van ADHD bij hoogbegaafden is bovengemiddeld. Andersom ook. De reden hiervoor is vooral daarin gelegen dat het allebei afwijkingen betreft die aangrijpen op dezelfde gebieden in de hersenen, en die beide gelinkt zijn aan overmatige prikkeling van bepaalde hersengebieden.

Een foutieve diagnose in de psychatrie, in de zin dat een drukke hoogbegaafde foutief de sticker ADHD opgeplakt krijgt, komt niet zo vaak voor; daarvoor zijn de kenmerken van ADHD te duidelijk en eenduidig. Wel komt geregeld voor dat bij hoogbegaafden die tevens ADHD hebben, de diagnose ADHD wel gesteld wordt maar dat de hoogbegaafdheid over het hoofd wordt gezien.

Ook voor de persoon met ADHD geldt dat naarmate hij ouder wordt - en vaak is dat al begin twintig - de ADHD-problemen meestal minder heftig worden en hij zichzelf makkelijker kan hanteren.

Autisme

Wat onder autisme wordt verstaan, is in de loop der jaren nogal veranderd. Waar vroeger uitgegaan werd van een verminderd vermogen emoties bij jezelf en anderen waar te nemen - vandaar laag functionerend (minder intelligent) en hoog functionerend (meer intelligent, Asperger) autisme, is dat in de afgelopen jaren min of meer verworden tot een vertraagde ontwikkeling in het leren omgaan met emoties.

In mijn optiek is het, ook al is de bijstelling in de kern genomen correct, er in de uitvoering niet op vooruit gegaan. Voor diagnosticeren van stoornissen wordt namelijk altijd uitgegaan van gedragskenmerken en correct diagnosticeren volgens de nieuwe definitie is uiterst moeilijk: aarzelingen om te reageren, niet primair reageren, tijd nemen om na te denken kunnen alle gezien worden als aspecten van autisme.

Het gevolg is dat het aantal mensen dat officieel de sticker autisme opgeplakt krijgt, waaronder vele hoogbegaafden, de laatste jaren sterk is gestegen. Wat simpelweg niet klopt met de theoretische prevalentie die rond de 1 procent ligt.

Dit is niet alleen triest voor degenen die onterecht dit label krijgen en jarenlang een verkeerde weg lopen, maar ook voor diegenen die echt autisme hebben en daardoor vaak onvoldoende begeleiding krijgen.

Hieronder gebruik ik de klassieke definitie; volgens mij de beste en eerlijkste.

Het centrale kenmerk van alle vormen van autisme is een sterk verminderd vermogen emoties bij jezelf en anderen te kunnen onderkennen. Dit is een aangeboren gebrek, wat vooral vanaf het vierde levensjaar tot uitdrukking komt. Natuurlijk vindt hierbij ook stapeling plaats: omdat het vermogen in mindere mate aanwezig is, kan daar in de opvoeding ook in mindere mate op gebouwd worden. Het weinige wat er is, wordt dan in mindere mate ontwikkeld.

Het raakvlak met hoogbegaafdheid is dat veel hoogbegaafden, hoewel ze in principe uitstekend bij hun emoties kunnen en zeer gevoelig zijn, dat in de praktijk vaak in mindere mate doen. Zij zijn in sterke mate introvert of hebben zich aangewend hun emoties voor zich te houden onder invloed van, bijvoorbeeld, stelselmatige afkeuring van en buitensluiting door anderen.

Andere hoogbegaafden hechten zo sterk aan hun cognitief getinte wereld dat ze er de voorkeur aan geven die verder te ontwikkelen en zich daarbinnen op te sluiten, daarmee als vanzelf het emotionele en empatische verwaarlozend.

Het verschil tussen mensen met autisme en hoogbegaafden in dezen is dat hoogbegaafden die hiermee worstelen, kunnen leren zich te uiten op het empatisch-emotionele vlak en hun sensiviteit te ontplooien, terwijl mensen met autisme dat niet of in mindere mate voor elkaar krijgen.

Er is geen statistisch bewijs dat autisme vaker voorkomt bij hoogbegaafden dan bij niet-hoogbegaafden. Er is dus geen verband tussen autisme en hoogbegaafdheid.

Toch kun je je voorstellen dat psychiaters en andere professionals hoogbegaafden regelmatig als autistisch diagnosticeren terwijl ze dat niet zijn. En als die al moeite hebben een juiste diagnose te stellen, dan natuurlijk de gemiddelde moderne burger al helemaal. Die ervaart de hoogbegaafde als een gesloten persoon die karig communiceert en niet makkelijk bij zijn of haar emoties kan of die binnenhoudt, en plakt daar vervolgens het label 'autist' op, hoogbegaafd of niet.

Zoals hiervoor al aangegeven is het begrip van wat autisme inhoudt in de loop der jaren nogal veranderd. Terwijl autisme vroeger gezien werd als een aangeboren iets, wordt het tegenwoordig als een ontwikkel- en gedragsstoornis gezien.

De impact van deze verandering is groot. Vroeger ging het erom of iemand wel of niet al vanaf geboorte het vermogen miste om empathie te voelen, tegenwoordig telt of iemand in het nu wel of niet empatisch gedrag kan laten zien zoals de goegemeente dat graag ziet.

Die veranderingen zijn vooral aangezwengeld door de psychiatrie in de Verenigde Staten. Daar is de sociaal vaardige Barbie en Tom zoals we die kennen van de gemiddelde tv-serie de norm geworden voor wat een empatisch persoon is, en vooral: voor wie daarvan afwijkt en dat dus niet is.

Asperger

Het syndroom van Asperger is een combinatie van bovengemiddelde tot hoge intelligentie en autisme. Het is een van de oudere vormen van autisme, en als label en diagnose ontstaan toen duidelijk werd dat een gebrek aan empatisch vermogen niet enkel voorkwam bij mensen met een laag IQ.

Personen die dit syndroom hebben, hebben dikwijls een zeer hoog IQ. De bijbehorende vorm van autisme is vaak een ingewikkelde want het kenmerk ervan is dat de persoon naast het afgevlakt ervaren van emoties, sterk op zichzelf is gericht. Dat op zichzelf gericht zijn komt voor in verschillende varianten, van goed- tot kwaadaardig. In het algemeen geldt dat het syndroom van Asperger een milde vorm van autisme betreft. Soms betreft het een vorm die dicht tegen narcisme aan zit.

Bij Asperger in combinatie met hoogbegaafdheid geldt in hoge mate dat hoogbegaafdheid, autisme, en gerichtheid op het zelf, elkaar versterken en in stand houden.

Asperger wordt vaak foutief gediagnosticeerd door de ggz, in het bijzonder bij hoogbegaafden. De reden hiervoor is onder meer dat bij het diagnosticeren gedrag en karakter door elkaar worden gehaald en de testen vaak allesbepalend zijn terwijl degenen die de testen afnemen in mindere mate deskundig zijn. Ze kunnen bij de ggz hoogbegaafden over het algemeen niet goed 'lezen.' Ze snappen niet wat voor iemand ze voor zich hebben en autisme/asperger is dan een makkelijke 'restbak'.

Net als dat voor andere vormen van autisme geldt, zijn er geen behandelingen, inclusief pillen, voorhanden om iemand van Asperger te 'genezen.'

Het Syndroom van Asperger is uit de in 2013 uitgebrachte versie van de DSM, de DSM-V, gehaald. Het wordt nu met andere vormen van autisme samengevat onder het label autismespectrumstoornis. De primaire reden om het als aparte diagnose te laten vervallen was dat het in de praktijk niet goed mogelijk bleek om Asperger duidelijk af te grenzen van andere autisme-stoornissen. Met andere woorden, er werd niet 'gemeten' wat gepretendeerd werd te meten.

Dyslexie en dyscalculie

Dyslexie en hoogbegaafdheid komen regelmatig samen voor. Het type hoogbegaafdheid wat dan meestal prevaleert is van het creatieve type. Denk aan waanzinnig fantastisch goede architecten, musici, en acteurs. Dyslexie is geen stoornis. Het betreft een onschuldig kronkeltje, een deficiëntie, ergens in de hersenen. Mensen die dyslectisch zijn hebben moeite met de juiste spelling van woorden. Moeite hebben met de volgorde van cijfers en dergelijke, heet dyscalculie.

Tegenwoordig wordt er in de samenleving beter op ingespeeld dan vroeger. Toch geldt voor kinderen met dyslexie, tenzij dat de ouders speciale steunende maatregelen nemen, dat ze grote kans hebben niet ver te komen in de maatschappelijke ratrace. De reden is dat ons onderwijs minder goed met mensen met dyslexie uit de voeten kan.

Wat speelt bij personen met dyslexie is dat die onzeker worden omdat ze twijfelen of ze iets wel of niet begrijpen en omdat ze meer tijd nodig hebben voor het begrijpen en interpreteren van wat ze aan het lezen zijn. Die onzekerheid nemen ze mee als schaamte naar anderen toe, en twijfel aan zichzelf wanneer ze moeten presteren bij proefwerken en, later, in de volwassenheid, wanneer ze iets moeten schijven of lezen.

Uiteindelijk vertaalt dyslexie zich vooral als een problemen in de interactie met anderen: kinderen en volwassenen met dyslexie voelen zich vaak de mindere van anderen, de anderen die 'normaal' zijn.

Een remedie hiervoor is dit minder-voelen bespreekbaar maken.

Misdiagnose

Hoogbegaafdheid wordt regelmatig foutief gediagnosticeerd.

Zeker wanneer een 'stoornis' bij een klachtbeeld wordt gezocht, wat zomaar kan wanneer je met psychische problemen naar de klassieke ggz gaat of, een dwarsstraat, een diagnosecentrum autisme. Realiseer je dat je daar bijna altijd met een label weggaat, eentje dat ze kennen en uiteraard niet een dat ze niet kennen.

Het probleem daarbij is niet alleen de diagnose (hoewel het een sticker is die je maar moeilijk wegkrijgt), het is ook de behandeling die je vervolgens hebt te ondergaan om te 'genezen' of de school waar je vervolgens naar toe moet omdat je, bijvoorbeeld, nou eenmaal autistisch bent. Je hele leven komt op zijn kop te staan.

Lees meer hierover bij Verkeerde diagnose.

Overleven

It is not the strongest of the species that survives nor the most intelligent. It is the one that is the most adaptable to change. Charles Darwin