1. Is hoogbegaafdheid een vorm van autisme?

Cliënten stellen me geregeld de vraag of ze hoogbegaafd zijn dan wel een vorm van autisme hebben. Soms is die vraag makkelijk te bantwoorden maar vaak ook niet. In dit stuk ga ik nader in op de verschillen en overeenkomsten tussen hoogbegaafdheid en autisme.

Dit doe ik wat het deel over autisme betreft aan de hand van een boek van Martine Delfos, een van de grote autoriteiten op het vlak van autisme in Nederland. Het boek is getiteld (Een vreemde wereld - Over het autismespectrum (ASS), tiende druk, 2018).

Achtereenvolgens behandel ik de verscheidenheid in hoogbegaafdheid en daarna wat autisme is. Vervolgens leg ik die twee naast elkaar en is er een sectie met conclusies.

2. Hoogbegaafdheid in verscheidenheid

Hoogbegaafdheid heb je in grote verscheidenheid maar als je toch op een basale manier wilt indelen, kun je grofweg vier categorieën onderscheiden.

2.1. Hoogbegaafd en in balans

De eerste categorie betreft hoogbegaafden die mentaal in balans zijn en een breed scala aan begaafdheden paren aan goede sociale capaciteiten en vaardigheden. Meestal kunnen ze zich prima handhaven en ontwikkelen, alhoewel ze natuurlijk ook tegen problemen in hun leven aanlopen. Deze categorie is verrweg het grootst in omvang (met een natte vinger: 6 op de 10 hoogbegaafden).

2.2. Hoogbegaafd neigend naar autisme

Een tweede categorie omvat hoogbegaafden die hun begaafdheden paren met een autisme-look. Ze zijn naar binnen gekeerd, egocentrisch en inflexibel. Paren matige sociale kwaliteiten (ze kunnen zich niet goed in anderen verplaatsen) aan weinig interesse in anderen. Hoeven niet per se problemen te ervaren in hun carrière (het ligt eraan hoe ze die hebben ingericht) maar ervaren vaak wel problemen in hun relaties. Deze categroie is minder groot in omvang dan de vorige (met een natte vinger: 2 op de 10).

2.3. Hoogbegaafd neigend naar ad(h)d

Dan heb je de derde categorie hoogbegaafden. Dat zijn hoogbegaafden die een breed scala aan begaafdheden paren met een draai naar het add-achtige. Ze gedragen zich vluchtig, fladderend, hebben matige sociale kwaliteiten en tonen geregeld weinig vasthoudendheid. In hun leven ervaren ze problemen met focus, discipline en vasthoudendheid wat ze, mede door de gebrekkige sociale kwaliteiten, kan opbreken in hun carrière. Deze categroie is minder groot dan de vorige (met een natte vinger: 3 op de 20).

2.4. Hoogbegaafd neigend naar ad(h)d én autisme

Uiteraard heb je ook een categorie die zowel neigt naar add-achtige als mede autisme-achtige kanten. Deze categroie hoogbegaafden heeft het over het algemeen niet makkelijk in het leven. Sociale problemen, carrièreproblemen, relatieproblemen; ze liggen alledrie op de loer. Deze categroie is minder groot dan de vorige (met een natte vinger: 1 op de 20).

3. Inzoomen op Hoogbegaafd neigend naar autisme

In dit stuk heb ik het over de tweede categorie, de hoogbegaafden die hun talenten paren aan autisme-achtige kanten (verder in dit stuk gebruik ik daarvoor de term hoogbegaafd met de toevoeging al+) en die vaak aangezien worden voor mensen met autisme. Het probleem is dat ze zich daar meestal maar matig in herkennen terwijl eventuele begeleiding vanuit onder meer de GGZ niet goed aansluit.

Dat knelt des te meer omdat er sinds enkele decennia veel te doen is over autisme, wellicht meer dan over andere stoornissen en psychische aandoeningen (met uitzondering van ADHD wellicht). Wat dit heeft gebracht is een ander zicht op autisme en een andere definitie van wat autisme behelst.

Waar vroeger autisme gezien werd als minimaal een onvermogen om je te verplaatsen in een ander, wordt dat nu veeleer gezien als minimaal een afwijkende ontwikkeling inzake informatieverwerking. De huidige inzichten zijn alle ontwikkeld op basis van nieuw en diepgaand wetenschappelijk onderzoek.

Deze andere definitie heeft gevolgen. Niet alleen voor een goed begrip van wat autisme nou precies is, maar ook voor wat nou precies het verschil tussen autisme en hoogbegaafdheid-al+ is. Waar eerder hoogbegaafden-al+ terecht of onterecht nog wel eens het etiket Syndroom van Asperger of Hoog Functionerend Autisme opgeplakt kregen en zich daar wel of niet in herkenden, lijkt de overlap tussen 'modern' gedefinieerd autisme en hoogbegaafdheid-al+ groot. Dus kun je de vraag opwerpen: is hoogbegaafdheid-al+ een vorm van autisme of niet? Zelfs kun je je afvragen of hoogbegaafdheid als geheel een vorm van autisme is.

4. Visies op autisme

Vroegere visies op autisme gaan vooral terug op Leo Kanner (VS) en Hans Asperger (AU) die beiden onafhankelijk van elkaar deze term gebruikten om volwassenen en kinderen te beschrijven die in zichzelf gekeerd waren (het woord autisme komt van 'autos' wat in zichzelf gekeerd betekent). Ze deden dat rond Wereldoorlog II. Kanner, een geëmigreerde Duitser, schreef in het Engels waardoor zijn werk breder verspreid raakte dan dat van Asperger die in het Duits schreef.

Kanner muntte vooral het klassieke beeld van (laag-functionerend) autisme: zwaar in zichzelf gekeerd, matig tot laag intelligent en een fundamenteel gebrek aan kennis en inzicht over sociale omgang. Dat werd dan gecombineerd met weinig tot geen sociale vaardigheden en het ontbreken van reflectie op het eigen functioneren.

Asperger zag de problematiek van autisme breder dan Kanner en nam in zijn onderzoeken ook intelligentere mensen met autisme mee. Asperger zag namelijk de ontwikkeling van kinderen met autisme als een munt met twee kanten: naast wat Kanner beschreef was er ook compensatie in het spel, het cognitieve kunnen bij die kinderen was vaak sterker ontwikkeld dan bij kinderen zonder autisme.

In de jaren tachtig zijn deze twee visies met elkaar verknoopt geraakt en kwamen wetenschappers tot de groep van autismespectrumstoornissen (ASS). De conclusie was dat je binnen ASS je drie kenmerkende clusters van probeemgebieden kunt onderscheiden: mensen met autisme ervaren problemen op het gebied van (1) sociaal contact, (2) communicatie en (3) verbeelding.

Deze drie clusters samen leidt bij mensen met autisme tot problematisch gedrag dat van sterk naar zwak verloopt op de vlakken:
(a) sociale interactie,
(b) sociale verbale en non-verbale communicatie,
(c) verbeeldend vermogen,
(d) herhalend karakter van activiteiten,
(e) taalgebruik,
(f) respons op prikkels, en
(g) specifieke bekwaamheden.

5. Herkennen van autisme

Voortbouwend op het voorgaande herken je in de praktijk autisme aan onderstaande kenmerken van gedrag (een redelijk uitputtende opsomming waarbij niet alle aspecten bij iedereen met autisme voorkomen terwijl uiteraard ook de mate waarin iemand ergens last van heeft kan variëren):

(a) Weerstand tegen verandering,
(b) Het stellen van repeterende vragen,
(c) Kunnen vaak moeilijk eigen gedachten onder woorden brengen,
(d) Grote prikkelgevoeligheid,
(e) Beperkt besef van tijd en ruimte,
(f) Vaak een houterige motoriek,
(g) Terroriserend gedrag,
(h) Kunnen zich moeilijk verplaatsen in anderen,
(i) Hechten minder belang aan wat er in anderen omgaat,
(j) Hechten aan rituelen en gewoontes,
(k) Zijn goed in associatief denken,
(l) Zeggen vaak 'nee' (geeft tijd om te denken),
(m) Grote aandacht voor details,
(n) Perfectionisme,
(o) Vaak openlijk of bedekt sterk angstig,
(p) Kunnen moeilijk eigen gevoelens en emoties onder woorden brengen,
(q) Vaak slaapproblemen,
(r) Vaak grote problemen met moeten,
(s) Vaak problemen met plannen en afspraken en andere uitvoerende functies,
(t) Vaak obsessief repetitief gedrag,
(u) Vaak problemen rondom taal,
(v) Vaak problemen rondom leren.

Veel aspecten zul je vooral bij kinderen en jongeren met autisme herkennen; volwassenen met autisme hebben vaak al een ontwikkeling achter de rug waarbij ze - deels - hebben leren omgaan met wat ze lastig vonden.

6. Theorieën over autisme

Er zijn diverse theorieën die het ontstaan van autisme proberen te verklaren. De vier belangrijkste zijn (1) de gebrekkige Theory of Mind - theorie, (2) de zwakke Centrale Coherentie theorie, (3) de theorie van de problematische Uitvoerende Functies, (4) de theorie over het brein dat verkeerd georganiseerd is, en (5) Het Socioschema. Deze theorieën licht ik hieronder kort toe.

6.1. Een gebrekkige TOM

De belangrijkste en bekendste theorie is die van Baron-Cohen (1989) die stelt dat mensen met autisme een gebrekkige Theory of Mind (TOM) hebben. De TOM stelt dat elk mens een theorie ontwikkelt over gedachtes en gevoelens bij zichzelf en anderen op grond waarvan het gedrag van anderen kan worden voorspeld en door middel van eigen gedrag kan worden geanticipeerd.

In dit hele proces is zelfreflectie hier een belangrijk instrument bij; je kunt het zelfs zien als een noodzakelijke voorwaarde om dat sociale proces te doen slagen. Mensen met autisme hebben een gebrekkige Theory of Mind, wat hen belemmert adequaat te reflecteren op wat er gebeurt binnen de sociale interacties én op wat zij zelf moeten doen om die interacties te doen slagen. Dat alles maakt dat mensen met autisme zich angstig en onzeker voelen in het sociale verkeer.

6.2. Een zwakke Centrale Coherentie

De tweede theorie is die van Frith en Happé (1994), de theorie van de zwakke Centrale Coherentie genaamd. Deze theorie gaat ervanuit dat mensen met autisme moeite hebben informatie op het sociale vlak - van het verbaal gesprokene tot het geïnsinueerde en middels lichaamstaal uitgedrukte - tot een samenhangend en betekenisgevend geheel te smeden.

De informatie blijft voor mensen met autisme niet meer dan een verzameling losse signalen, los zand, waar ze niets van kunnen brouwen. Dat ze geen verbanden kunnen afleiden, leidt tot verwarring en angst, én de behoefte alles te kaderen om die verwarring en angst te dempen.

6.3. Problematische Uitvoerende Functies

De derde theorie is die van Pennington en Ozonoff (1996). Zij stellen dat mensen met autisme beperkt zijn in hun vermogen hun Executive Functions (uitvoerende functies, hogere cognitieve functies gebruikt om te plannen en doelen te bereiken, zie onder meer deze pagina over Uitvoerende Functies) goed te gebruiken en daarom verzanden in allerlei ad hoc gedrag en deeloplossingen.

Belangrijke uitvoerende functies zijn onder meer invoelen, empathie voelen, en signalen in het sociale verkeer interpreteren. Deze functies zijn bij mensen met autisme gebrekkig ontwikkeld. Daarom worden mensen met autisme angstig en raken ze onthecht van alles en iedereen.

Deze theorie lijkt erg op die van de zwakke centrale coherentie en kun je als aan vullend eraan zien.

6.4. Het extreem mannelijk brein

De vierde theorie is ook van de hand van Baron-Cohen (2003) die net als Asperger jaren voor hem stelt dat autisme het resultaat is van een extreme vorm van de mannelijke hersenen.

Baron-Cohen heeft het over het Empathic, Systematic, Balanced Brain (ESB). Hij onderscheidt daarin drie soorten breinen: het Empathische brein (de vrouwelijke variant), de Systematiserende hersenen (de mannelijke variant), en de Gebalanceerde hersenen, waarbij het empathische en het systematiserende elkaar in balans houden.

Een en ander betreft niet zozeer de morfologie van de hersenen als zouden mannen andere hersenen hebben dan vrouwen maar meer de ontwikkeling van de organisatie van de hersenen en het gebruik ervan die over de jaren bij de meeste vrouwen anders verloopt dan bij mannen (zie meer hierover onder meer bij het stuk over Empathie op www.idee-pmc.nl).

Mensen met autisme hebben hersenen die extreem mannelijk zijn. Het brein is uit balans en ontbeert de vrouwelijke empathische kanten. Uiteraard leidt dit ook weer tot angst en onzekerheid en manieren om daarmee om te gaan.

6.5. Het Socioschema

Wat al de hiervoor besproken theorieën volgens Delfos gemeen hebben is dat ze vooral deeloplossingen aandragen en geen alomvattende verklaring of theorie bieden. Ze kunnen bijvoorbeeld geen van alle uitputtend verklaren waarom mensen met autisme vaak zoveel angst kunnen ervaren.

Wat ze alle ook ontberen is een blik op het autistische zelf: hoe ervaren mensen met autisme zichzelf? En eigenlijk is dat volgens Delfos wel nodig want zelfbewustzijn (of het gebrek daaraan) is bepalend voor wat mensen, ook die met autisme, doen. Zelfbewustzijn is nodig om een Theory of Mind te kunnen ontwikkelen, om te kunnen reflecteren en om functies uit te voeren.

Daarom heb je, om autisme goed te kunnen begrijpen, een ander vertrekpunt nodig. Een vertrekpunt in de ontwikkeling van de mens die voorafgaat aan al die andere ontwikkelingen binnen het opgroeien. Delfos komt dan uit op de ik-anderdifferentiatie. Voor haar is een gebrekkige ik-anderdifferentiatie de kern van autisme en ze werkt dat in haar theorie van het Socioschema uit. In het volgende hoofdstuk ga ik dieper op haar theorie in.

7. Het Socioschema van Delfos

Martine Delfos ontwikkelde begin deze eeuw het Socioschema als verklaring voor autisme. Ze deed dat min of meer onafhankelijk van andere onderzoekers en leunde daarbij sterk op de ideeën van Asperger. Het socioschema van Delfos overstijgt alle andere theorieën over het ontstaan van autisme zoals we die hiervoor hebben aangestipt.

Haar vertrekpunt is fundamenteel anders dan van andere onderzoekers: voor Delfos is autisme in de kern een gebrekkige ontwikkeling van de ik-anderdifferentatie. Deze gebrekkige ontwikkeling leidt tot een gemankeerd zelfbewustzijn, en dat leidt tot onder meer angsten, een in zichzelf gekeerd zijn en een gebrekkig sociaal functioneren: het autisme. Een en ander werk ik hieronder uit.

7.1. Zelfbewustzijn en de ik-anderdifferentiatie

Zelfbewustzijn gaat over het ten diepste kennen van jezelf. Wie ben ik nou? Waar sta ik voor? Wat wil? Al die vragen die we zo goed kennen en die we ons vaker stellen. Maar aangezien wij mensen zoogdieren zijn en daarmee sociale wezens, betekent zelfbewustzijn en het kennen van jezelf altijd ook dat je de 'ik' enkel kunt zien in relatie tot anderen; de 'ik' kan niet bestaan in een vacuüm. Je noemt dit wel de ik-anderdifferentiatie. Een goed en soepel verlopende ik-anderdifferentitaie is daarom essentieel voor een stevig zelfbewustzijn.

Dit ontwikkelen van de ik-anderdifferentiatie doen we in contact met anderen (eerst moeder, vader, broers en zussen, opa en oma, later anderen in bijvoorbeeld de buurt of de klas) en objecten (denk aan een potje, speen etceteras). Je leert iemand kennen door te focussen op hoe die zich verhoudt met anderen en het andere; als je praat over een 'ik' praat je in feite over de relaties van de ik. Dit gaat een heel leven lang door.

Delfos (blz 144): 'De ik-anderdifferentiatie is een proces dat een leven lang doorgaat, vanaf het onbewust kennen van het 'ik' naar een besef van 'ik' versus 'niet-ik' en 'voorwerp' versus 'mens'.

7.2. De ik-anderdifferentiatie en autisme

De ik-anderdifferentiatie ontwikkelt zich bij mensen met autisme gebrekkig en kun je, volgens Delfos, zien als de onderliggende problematiek en oorzaak van alle andere problemen rondom autisme.

In de kern komt het erop neer dat de omgang met mensen iets anders van mensen vraagt dan omgang met objecten; het vraagt dat je je kunt inleven in anderen én in jezelf (om mee om te gaan is een moeder met emoties echt anders dan een bal).

Mensen met autisme kunnen dat inleven niet of niet goed omdat ze die set vaardigheden (vooral de vaardigheden op het sociale, introspectieve en communicatieve vlak én die vaardigheden die met tijd en ruimte van doen hebben) niet goed dan wel vertraagd hebben ontwikkeld in hun jeugd en daar later dus ook niet zo makkelijk op kunnen terugvallen (de vaardigheden zijn niet geautomatiseerd en kosten telkens opnieuw veel tijd). De ander, en wat er in die ander speelt, zegt hen minder en dat leidt tot handelen vanuit een egocentrisch, zaakgericht perspectief.

Het is niet zo dat kinderen, mensen met autisme geen emoties ervaren, integendeel. Ze richten echter hun aandacht anders, cognitiever, zou je kunnen zeggen. Ze richten hun aandacht met hun zich meer op een mannelijke manier ontwikkelend brein vooral op logisch kenbare, feitelijke details. Wanneer kinderen met autisme beschikken over een duidelijk aanwezige intelligentie, zullen ze die gebruiken om op die manier de wereld te leren kennen en begrijpen.

Naar buiten toe verschijnen die kinderen als heel intelligent en wijs, maar tegelijkertijd kennen ze emotionele armte en angst. Uiteindelijk leidt dat tot een duidelijk scheve ontwikkeling: cognitief sterk, sociaal arm en emotioneel anders. Binnen de context van het Socioschema verschijnt daar bij de intelligente persoon met autisme weer de figuur die we eerder kenden als Syndroom van Asperger.

Verder zijn alle aspecten die we kennen van de andere theorieën die we hiervoor hebben besproken ook geldig binnen het Socioschema. Ze vallen gewoon op een harmonieuze manier op hun plek.

8. Verschillen autisme en hoogbegaafdheid-al+

Om die verschillen goed in kaart te brengen ben ik de lijst met gedragskenmerken van autisme die ik hierboven onder hoofdstuk vijf heb gegeven eens nagegaan. Dat geeft diverse lijstjes en een conclusie.

8.1. Gedragsovereenkomsten hoogbegaafdheid en autisme

Van deze lijst herken ik de volgende aspecten als typische gedragskenmerken van hoogbegaafden-al+:

(d) Grote prikkelgevoeligheid,
(e) Beperkt besef van tijd en ruimte,
(h) Kunnen zich moeilijk verplaatsen in anderen,
(i) Hechten minder belang aan wat er in anderen omgaat,
(k) Zijn goed in associatief denken,
(l) Zeggen vaak 'nee' (geeft tijd om te denken),
(m) Grote aandacht voor details,
(n) Perfectionisme,
(p) Kunnen moeilijk eigen gevoelens en emoties onder woorden brengen,
(q) Vaak slaapproblemen,
(r) Vaak grote problemen met moeten,
(s) Vaak problemen met plannen en afspraken en andere uitvoerende functies,
(v) Vaak problemen rondom leren.

8.2. Gedragsverschillen hoogbegaafdheid en autisme

Op basis van ervaring meen ik dat je de volgende aspecten minder vaak en vaak in mindere mate bij hoogbegaafden-al+ aantreft:

(a) Weerstand tegen verandering,
(b) Het stellen van repeterende vragen,
(c) Kunnen vaak moeilijk eigen gedachten onder woorden brengen,
(f) Vaak een houterige motoriek,
(j) Hechten aan rituelen en gewoontes,
(g) Terroriserend gedrag,
(o) Vaak openlijk of bedekt sterk angstig,
(s) Vaak obsessief repetitief gedrag,
(u) Vaak problemen rondom taal.

Als je deze laatste aspecten nader in hun samenhang bestudeert, zou je kunnen stellen dat het sterk basaal angstige en de daaruit voortvloeiende copingsmechanismen ontbreken (met uitzondering van f, de houterige motoriek, zijn alle andere aspecten uitvloeisels óf van een verlangen om minder angst te ervaren óf van paniek). Dit duidt mijns inziens op een gezondere ontwikkeling in de ik-anderdifferentiatie van jongs af aan bij hoogbegaafden-al+.

8.3. Ander ontwikkelproces hoogbegaafdheid en autisme

Deze gezondere ontwikkeling van de ik-anderdifferentiatie correspondeert met een ander ontwikkelproces voor hoogbegaafden-al+ in vergelijking met mensen met autisme. Mensen met autisme kennen meestal een afwijkende ik-anderdifferentiatie vanaf hun geboorte - dat is wat veel existentiële verwarring en angst geeft - terwijl dit bij hoogbegaafden naar mijn idee pas op latere leeftijd aanvangt.

Dat laatste waarschijnlijk onder invloed van groepsdynamische processen waarbij hoogbegaafde kinderen meer op zichzelf worden teruggeworpen wegens uitsluiting of een zichelf buitensluiten,, of naar de kant geduwd worden van de groep, op basis van een afwijkende, vaak sterk cognitieve ontwikkeling. De hoogbegaafde-al+ is anders dan de rest en dat heeft consequenties.

Het primaire copingsmechanisme blijft echter voor beide groepen, kinderen met autisme en kinderen-al+, hetzelfde: een versnelde en versterkte cognitieve ontwikkeling. Die versnelde cognitieve ontwikkeling als primair copingsproces voor het hoogbegaafde kind leidt tot een verdergaande vermindering in zichzelf kunnen verplaatsen in anderen en een verslechtering van het lezen van het emotionele zelf.

De vraag is bij welke hoogbegaafde kinderen dit proces zich vooral voordoet. Want niet alle hoogbegaafde kinderen ontwikkelen zich tot kinderen met autistische trekjes. Het voordehand liggende antwoord is natuurlijk: dit proces doet zich vooral voor bij die hoogbegaafde kinderen die een sterk ontwikkeld mannelijk brein (in de termen van Baron-Cohen en Delfos) hebben.

En nu?

De vraag is natuurlijk wat je met deze inzichten op het vlak van begeleiding van hoogbegaafden kunt. Een poging daartoe (ik ben natuurlijk geen wetenschapper dus een voorbehoud moet ik wel maken).

De eerste conclusie is dat op deze manier naar hoogbegaafdheid en autisme kijken, helpt te verduidelijken waar het in de kern bij de meeste hoogbegaafden-al+ die problemen ervaren moeilijk ligt: een van jongsafaan afwijkende ik-anderdifferentiatie onder invloed van groepsdynamische processen. En daaruit volgend onder meer nog meer problemen op het sociale en communicatieve vlak.

De tweede conclusie is dat de zwakke coherentie inzake de informatieverwerking, die je dus ook bij hoogbegaafden-al+ tegenkomt deze hoogbegaafden juist tegenwerkt in het begrijpen en kennen van anderen en de wereld, net zoals dat dat voor mensen met autisme geldt.

De derde conclusie is dat er bij begeleiding van hoogbegaafden standaard meer aandacht mag zijn voor problemen in groepsdynamische processen in de vroege jeugd.

De vierde conclusie is dat wat in de begeleiding van mensen met autisme werkt, vaak ook zal werken bij hoogbegaafden-al+. Dit op voorwaarde dat het net even iets anders gebracht wordt.

Natuurlijk zijn bovenstaande conclusies niet nieuw. Wel hebben ze door autisme en hoogbegaafdheid-al+ naast elkaar te zetten, voor mij meer aan zeggingskracht gewonnen.

Overleven

It is not the strongest of the species that survives nor the most intelligent. It is the one that is the most adaptable to change. Charles Darwin

Volgende pagina

Kanttekeningen

Hoogbegaafdheid

Wat is hoogbegaafdheid - Het hoogbegaafde brein - Multiple intelligentie - Hoogbegaafd & samenleving - Hoogbegaafd & werk - Omgang met anderen - Problemen hoogbegaafdheid - Valkuilen hoogbegaafde jongeren - Hoogbegaafde kids - Aanverwant: add ed. - Autisme versus hoogbegaafdheid - Hulpverlening ggz - Verkeerde diagnoses - Het grote verdriet - Kanttekeningen

Menu

Hoogbegaafdheid - Tests - IDEE - Contact & zo - Home - Begeleiding - Relatietherapie - Rondom werk - Training