Omgaan met instituties

De overheid heeft allerlei instituties in het leven geroepen om zorg te verlenen en je kunt als ouder veel problemen ondervinden in de omgang met die instituties. Omdat ze niet meer naar je luisteren, star zijn in hun denken, en niet goed weten waarover ze praten.

Telkens opnieuw zijn mensen verbaast als dit dan gebeurt. Wat niet zou hoeven want het zit ingebakken in de systemen waarmee we in de samenleving werken - de overgang van de zorg naar de gemeentes zal dat niet veranderen. De redenen op een rij.

Etiketten zijn permanent en allesomvattend

Wanneer een kind of jongere ooit eerder een diagnose als ADD, ADHD, Asperger, OSD, ASS heeft gekregen, komt het daar nooit meer vanaf.

Dus wanneer je je kind hebt laten onderzoeken op 7-jarige leeftijd om duidelijk te krijgen waarom hij zo op zichzelf is en daar kwam het vermoeden van een ASS (Autisme Spectrum Stoornis) uit, kan dat makkelijk op zijn twaalfde als een vaststaand feit worden gezien en als de oorzaak van problemen op school of in de sociale omgang.

Als zoiets eenmaal een vaststaand feit is, is het 'logisch' dat behandeling en begeleiding van de instituties zich richt op dat 'vaststaande probleem'. Ruimte voor het andere en afwijkende is er in mindere mate.

Istituties zijn dom

Instituties als Jeugdzorg zijn logge organisaties die draaien op geld van de overheid. Ze hebben het beste voor met iedereen maar volgen protocollen en mijden risico's en het afwijkende. Voor alles bestaat een regel en als die er niet is, leiden ze er een af uit de bestaande regels.

Eenmaal aangemeld blijft aangemeld

Berucht zijn de zaken waarin iemand een beroep doet op een institutie en, wanneer de problemen blijken mee te vallen en hij het beroep intrekt, dan om de oren wordt geslagen met de hulpvraag die hij eerder bij die instantie heeft neergelegd. De hulpvraag blijft bestaan totdat die naar het oordeel van de institutie adekwaat is beantwoord.

Dus wanneer je een probleem met je kind hebt en bij Jeugdzorg hulp vraagt, kan het zomaar zijn dat ook al trek je die hulpvraag na een week weer in, Jeugdzorg het daar niet mee eens is en gewoon doorgaat met 'het oplossen van het probleem.' Jij gaat daar immers niet meer over.

Mensen worden gek

Mensen, ook jongeren, kunnen veel hebben. Maar een vaak jarenlange weg door instituties is een zware traumatische ervaring zonder weerga. Het is Kafka in het kwadraat.

Mensen gaan daar kapot aan en worden zo tot een karikatuur van zichzelf. Wat natuurlijk koren op de molen is van de betreffende institutie en past binnen het beeld dat ze van je hebben.

Sylvano en de Jeugdzorg

Hieronder een deel uit een reportage van Julie Wevers in de NRC van 8 decmber 2014 over de waarschijnlijk hoogbegaafde Sylvano die al drie maanden is ondergedoken om maar uit handen te blijven van Jeugdzorg.

Dit is typisch zo'n verhaal waarin alles voor het kind en directe betrokkenen helemaal verkeerd loopt en waarbij Jeugdzorg, louter om gezichtsverlies te vermijden, er een rommeltje van maakt. Waarschijnlijk is de jongen voor jaren getraumatiseerd is.

Sylvano (11) zit al drie maanden ondergedoken voor Jeugdzorg

Een elfjarig jongetje houdt zich al maanden schuil uit angst voor plaatsing in een instelling van Jeugdzorg, met hulp van een actiegroep.

Het is een bijzonder bericht dat afgelopen vrijdag op d Facebookpagina van het Amsterdamse advocatenkantoor Zeeburgerdijk verscheen. 'Bureau Jeugdzorg is akkoord gegaan met plaatsing van jou bij een voor jou en je moeder bekend gezin. Vandaar uit zul je weer omgang met je moeder hebben. Ik vraag je namens je moeder zo snel mogelijk contact met mij op te nemen.'

De oproep is bedoeld voor de elfjarige jongen Sylvano, die al bijna droe maanden is ondergedoken uit angst voor opsluiting in een Jeugdzorginstelling. Zijn moeder, die woont in Bolsward, vraagt hem nu via de Facebookpagina van haar advocaat zich zo snel mogelijk te melden. Het wachten is nu op een reactie van de jongen, of van het mysterieuze ondergrondse netwerk dat hem verborgen houdt. "Ik wacht op zijn telefoontje. Ik ga ervanuit dat hij vrij is om contact op te nemen," zegt advocaat Joancy Breeveld Belliot. "Het is hoog tijd dat hij zijn gewone leven weer kan oppakken, het is niet gezond voor een kind om ondergedoken te leven."

In klas drie ontstaan problemen. Het lijkt wel of Willy onzekerder is geworden want contacten met leeftijdgenoten gaat hij nu stelselmatig uit de weg. Ook contacten met de docenten worden tot het minimum teruggebracht. Buiten gamen op de computer heeft hij geen hobbies. Sport interesseert hem niet. Uitgaan ook niet, en contacten met meisjes al helemaal niet. Voor de buitenstaander die zich in hem zou verdiepen, is het duidelijk dat hij zich ongelukkig en zeer eenzaam voelt.

Ook zijn ouders kunnen hem niet meer bereiken. Vooral voor de moeder voelt dat als ingewikkeld en naar want zij was altijd degene die hem steunde als hij het zwaar had en een klankbord zocht. Ze zit met de handen in het haar en wanneer het ernaar uitziet dat Willy in klas drie blijft zitten, besluiten ze in gezamenlijk overleg dat Willy maar eens naar een psycholoog moet. De vader twijfelde of het wel nodig was - hij vindt zijn zoon maar een watje - maar ze zet toch door. Ook Willy voegt zich. De school lijkt het sowieso een goed idee.

De psycholoog

De pycholoog constateert dat Willy nogal faalangstig is en moeilijk in de sociale omgang. Ze werkt met hem aan zijn sociale vaardigheden en aan hoe hij kan omgaan met leren. De sessies lijken enigszins te helpen. Wat betreft Willy's hoogbegaafdheid: daar kan ze niet veel mee. Ook heeft ze geregeld de indruk dat ze hem niet kan bereiken en dat hij de antwoorden geeft die zij wil horen.

Nadat het even beter ging, gaat het daarna weer even hard omlaag. De resultaten op school worden slechter, de omgang met anderen minder, en Willy trekt zich nog meer terug achter zijn computer op zijn kamer op zolder. Zijn ouders worden wanhopig. Een studiecoach komt voorbij, evenals een verplichte cursus sociale weerbaarheid voor jongeren. Maar er vernadert niets en Willy krijgt op school het advies over te stappen naar de havo.

De GGZ

Zijn moeder wil het er niet bij laten zitten, ze heeft erg te doen met haar zoon. In samenspraak met de tweede psycholoog waar ze met haar zoon is geweest, gaat Willy langs de regionale ggz-instelling. Hij wordt daar uitgebreid getest en krijgt diverse gesprekken met psychiaters en psychologen. Op basis daarvan concluderen ze dat Willy een vorm van autisme heeft. Tevens bestaat het vermoeden van Asperger. Het hoogbegaafde benoemen ze wel maar doen daar verder niets mee.

Willy vond de gesprekken en testen vervelend. Hij wantrouwde de interviewers en trok zich terug achter zijn muurtje. Was hij normaal al weinig spraakzaam, nu nog minder. Wat betreft de testen: ze leken op de cito-toetsen op school in de zin dat het geen sluitende systemen waren en de vragen dus op vele manieren konden worden uitgelegd. Hij raaktde weg erin kwijt en had veel tijd nodig. Maar ja, die kreeg hij niet.

Op basis van de gesprekken en testen, adviseren ze bij de GGZ wekelijks groepsgesprekken en gesprekken 1 op 1. Tevens zal enige medicatie worden voorgeschreven. Dan zal het wel beter met Willy gaan, is hun verwachting.

Een tijd volgt waarin allerlei pillen geprobeerd worden. Niets lijkt te werken, geen Ritalin, geen Concerta. Soms is Willy heel beroerd ervan, maar uiteindelijk maakt het geen verschil. De groepsgesprekken vindt hij stomvervelend want ook daarbinnen vindt hij geen aansluiting. Hij ervaart ze uiteindelijk als een straf. Evenals de gesprekken met de psychiater en anderen want die schijnen niet goed te weten wat ze hem aanmoeten. Ze vinden hem niet echt autistisch maar wat hij dan wel is, weten ze ook niet. Hetzelfde geldt voor Asperger. Maanden volgen waarin vooral gepraat wordt over wat hij nu heeft.

Na een jaar geven ze bij de GGZ aan dat ze niet goed weten wat ze met Willy aanmoeten. Hij reageert niet op de behandeling, is hun uitspraak. Op school staat hij inmiddels bekend als die gekke jongen. Hij wordt niet gepest maar ook niet tot groepen toegelaten. Hij gaat heel onregelmatig naar school en vlak voor het eind van het van het vierde schooljaar wil Willy blijft hij definitief thuis.

Willy

Sinds dat Willy thuis blijft, voelt hij zich rustiger. Hij hoeft geen confrontaties meer aan te gaan en vervelende situaties te verduren. Hij weet dat anderen hem raar vinden en snapt dat wel. Immers, hij is autistisch en en heeft Asperger. Hij schaamt zich en verbergt zich, zo ver mogelijk van anderen af. De wereld is voor hem een onveilige plek geworden.

Zijn moeder weet niet goed wat ze met hem aan moet. Ze heeft van alles geprobeerd en leeft mee met hem, ze voelt zijn pijn. Enerzijds bemoedert ze hem, anderzijds stimuleert ze hem uit zijn isolement te komen. Niets helpt. Soms krijgt ze hem zover dat hij weer eens een therapeut bezoekt. Maar meestal kunnen die niets met hem en hij niets met hen. De vader is ambivalent in zijn gevoelens naar zijn zoon. Enerzijds heeft hij met hem te doen, anderzijds vindt hij hem maar een watje, en voelt hij minachting.

Wanneer Willy twintig is, heeft hij in termen van de wereld om hem heen niets. Geen opleiding, geen vrienden, geen geld, geen baan. De enige die naar hem omkijkt is zijn moeder. Hij wordt daar zo wanhopig van dat hij zich nog meer verbergt voor de wereld.